“Coachen is geen eenheidsworst. Elk kind is anders.
De een heeft een duwtje in de rug nodig, de ander 'een arm om de schouder’.
De kunst is om te weten wie wat nodig heeft – en wanneer.”
De Italiaanse politiek denker uit renaissance - Machiavelli - zei ooit dat een vorst beter gevreesd dan geliefd kan zijn. Voor jeugdvoetbalcoaches geldt gelukkig het tegenovergestelde. Een goede coach creëert een cultuur van groei. Een slechte coach? Die zaait angst, stress en een hoop stille tranen op de achterbank na de wedstrijd. Bij mijn vereniging heb ik die angstcultuur nooit meegemaakt. Maar mijn collega coach bij een andere club wel.
Dit is zijn verhaal:
Ik was ooit begonnen als assistent van een jeugdcoach bij het O-11 team. Een fanatieke man. Gelukkig ben ik zelf ook niet vies van wat fanatisme, dus dat klikte meteen. We belden elkaar gerust om middernacht om te bespreken hoe we het team nóg beter konden laten draaien. Tactisch zaten we op één lijn. Pedagogisch? Nou… laten we zeggen: we zaten niet eens in hetzelfde stadion.
Hij had een coachingsstijl die je het best kunt omschrijven als “recht voor z’n raap met een megafoon keel”. Complimentjes? Die waren voor watjes. Zijn feedback klonk eerder als een marktkraam dan als een kleedkamer:
“Je staat daar als een lantaarnpaal te kijken hoe ze scoren!”
“Een blinde had die nog gemaakt, Peeeter!”
“Oh die Jan, het wordt nooit wat!”
“Keeeeeeeees, je bent bang en zwak!”
Ouders begonnen bij míj te klagen. Logisch ook — bij hem durfden ze niet. Eerst vroegen ze of ik het team wilde overnemen. Toen ik dat weigerde (hij was inmiddels een vriend), vroegen ze of ik met hem wilde praten. Of hij misschien iets… vriendelijker kon zijn?
Dus ik kaartte het voorzichtig aan. Zijn reactie? Een bulderlach.
“Jij met je complimentjes! Ik vertel ze tenminste de waarheid. Daar moeten ze tegen kunnen! Ik ga toch geen schouderklopje geven als iemand een leeg doel mist?”
Tja. Eerlijkheid is een deugd. Maar timing en tact zijn óók uitgevonden.
Het gekke was: buiten het veld was hij de gezelligste vent die je kon tegenkomen. Sociaal, charmant, de koning van de kantine. Hij was sponsor, erelid én ras charmeur. Iedereen at uit zijn hand. Behalve een paar ouders… en ik.
Toen ons team eenmaal onder 15 was, kregen we toch een flinke ruzie over zijn coachingsstijl. Kort, fel, maar snel bijgelegd. Toch besloot ik een ander team te gaan coachen. Met iets meer “mietjesaanpak”, zoals hij het noemde. Hij trok zijn haren uit z’n hoofd als hij me hoorde roepen:
“Geeft niet.”
“Volgende keer beter.”
“Goed geprobeerd.”
En ik op mijn beurt trok mijn haren los als hij weer losging op een puber alsof die zijn dure auto had gekrast.
Toch bleven we elkaars wedstrijden volgen. Elke twee weken galmde zijn stem weer over ons sportpark. En elke keer eindigden we in de kantine. Met bier. Veel bier. Allemaal 0.0, hoor, hm.”
Moraal van het verhaal: waarom zure coaches kinderen breken?
Het verhaal van mijn ‘collega-mietje’ spreekt boekdelen. Chagrijnig coachen van kinderen? Dat is uit den boze. Negatief coachen? Nog erger. Ook als je ermee wegkomt.
(En eerlijk: dat je ermee wegkomt, is misschien wel het treurigste van alles – maar dat is weer een ander verhaal.)
Wat is negatief coachen eigenlijk?
Negatief coachen is:
· Kleinerend
· Willekeurig
· Oordelend
Een coach mag best wat eisen stellen. Sterker nog: dat moet. Maar boven alles moet een coach veiligheid bieden. Want alleen een kind dat zich veilig voelt, durft fouten te maken. En laat fouten maken nou net de snelste weg zijn naar groei — zowel op het veld als in het hoofd.
De schade van een zure coach
Kinderen die structureel negatief gecoacht worden, lopen een groot risico: faalangst. En een kind dat bang is om fouten te maken, komt geen stap verder. Niet in de sport, niet in het leven.
Sommige kinderen lijken er geen last van te hebben. Ze presteren gewoon door.
Sterk? Misschien.
Sterk houden? Waarschijnlijker.
Maar laten we één ding duidelijk maken: dat gevoeligere kinderen ‘zwakker’ zouden zijn, is onzin. En áls een kind al kwetsbaar is — so what? Dat is geen probleem, maar een uitdaging voor een goede coach.
En dan is er nog iets ergers...
Zelfs de ‘sterke’ kinderen ontkomen niet aan het venijn van negatieve coaching. Want het allerergste is misschien wel dit:
Kinderen raken eraan gewend om onheus bejegend te worden. Ze gaan het normaal vinden.
En dat is pas écht gevaarlijk.